Home Kijk omhoog Deze maand Actualiteit Activiteiten Galerij Contact

Volg ons via Facebook en blijf op de hoogte.

Wat is er te zien





De zon

Op: 07:41 Onder: 18:12 Afbeelding van de huidige zon


De maan

Op: 07:45 Onder: 20:22

De maan is 0.8% verlicht.
Afbeelding maanfase


Foto van de dag

Klik hier om de astronomie afbeelding van de dag te bekijken.


 

Verklarende woordenlijst

a     b     c     d     e     f     g     h     i     j     k     l     m     n     o     p     q     r     s     t     u     v     w     x     y     z    

a

Aarde:
De aarde is 1 van de 8 planeten van ons zonnestelsel. Vanaf de zon gezien is de aarde de derde planeet. Om de aarde draait 1 satelliet, de Maan.

Achtergrondstraling:
De kosmische achtergrondstraling is de warmtestraling die is uitgezonden tijdens de oerknal. Volgens deze theorie was het vroege heelal extreem heet en terwijl het uitdijde, koelde het heelal af.

AE:
Albedo:
Dit is het weerkaatsingsvermogen van een object. Het is de verhouding tussen de hoeveelheid ontvangen licht en de hoeveelheid die gereflecteerd wordt. Een wit lichaam reflecteerd alle licht en heeft een albedo van 1.0, een zwart lichaam slorpt alle licht op en heeft een albedo van 0.0 .

Aphelium:
het punt van ellipsvormige baan van een planeet, planetoïde of komeet dat het verst van de zon is gelegen.

Apogeum:
Dit is het punt in een baan rond de aarde dat het verst van het zwaartepunt van de aarde is. Het tegengestelde punt heet perigeum .

Asterisme:
Een asterisme is een compacte verzameling sterren die niet fysiek bij elkaar horen zoals bij een sterrenhoop maar toevallig in dezelfde richting staan aan de hemel.

Astronomische eenheid:
de astronomische eenheid is de standaardlengtemaat voor afstanden in het zonnestelsel, de eenvoudigste definitie van 1 ae is de gemiddelde afstand aarde - Zon of 149 597 870 km.


b

Bruine dwerg:
Een bruine dwerg is een object dat kleiner is dan een ster, maar groter dan een planeet. Een bruine dwerg vormt zich op dezelfde manier als een ster, door een samentrekkende waterstofwolk. Een bruine dwerg heeft echter niet genoeg massa om kernfusie op gang te brengen. Hierdoor geeft een bruine dwerg geen licht.


c

Chandrasekhar-limiet:
Deze grens bepaalt of een ster aan het eind van zijn leven eindigt als een witte dwerg of een neutronenster . Het chandrasekhar-limiet ligt rond de 1,4 zonnemassa's. Een ster zwaarder dan 1,4 zonnen zal eindigen in een neutronenster , een ster minder zwaar dan 1,4 zonnen (zoals onze eigen zon) zal eindigen in een witte dwerg .

Circumpolair:
Sterren en sterrenbeelden die de het gehele jaar zichtbaar zijn noemt men circumpolair . Hun banen liggen dus altijd boven de horizon. Sterrenbeelden die gedeeltelijk onder de horizon gaan noemt men gedeeltelijk circumpolair . De Grote beer bijvoorbeeld is circumpolair , Andromeda is gedeeltelijk circumpolair .

CME:
Coronal Mass Ejection:
Culminatie:
het hoogste punt dat een hemellichaam in zijn dagelijkse loop aan de hemelbol bereikt, het staat dan precies boven de meridiaan .


d

Declinatie:
de hoekafstand van een hemellichaam ten noorden (-) of ten zuiden (+) van de hemelequator.

Donkere materie:
Dit is materie in het heelal, die niet zichtbaar is met optische middelen en dus niet te detecteren via de elektromagnetische straling

Dwergplaneet:
Er zijn een aantal eisen waar een dwergplaneet aan moet voldoen: het object is geen maan van een andere planeet, het object is uniek in zijn omgeving en maakt dus niet deel uit van een zwerm en het object heeft genoeg massa om bolvormig te zijn. Pluto was tot 2006 een planeet, maar doordat dit object niet uniek is in zijn omgeving (Kuipergordel), werd hij gedegradeerd tot een dwergplaneet .


e

Ecliptica:
de grote cirkel aan de hemelbol die de Zon in 1 jaar tussen de sterren aflegt. Het is de projectie vanuit de Zon van de aardbaan aan de hemel, het vlak van de ecliptica is het vlak van de aardbaan.

Efemeriden:
efemeriden zijn tabellen die de posities aangeven van een hemellichaam dat zich langs de hemel beweegt, voor een reeks van toekomstige tijdstippen. De posities worden per jaar vooruit berekend en bijvoorbeeld voor de zon, de planeten en de maan opgegeven in de verschillende sterrenkundige almanakken.

Excentriciteit:
De vorm van de baan wordt gegeven door de excentriciteit (e), een onbenoemd getal. e = 0 staat voor een cirkel, een waarde tussen 0 en 1 geeft een ellips, bij e = 1 is de baan een parabool, en in het geval e > 1 beschrijft het hemellichaam een hyperbolische baan.

exoplaneet:
Exoplaneten zijn planeten die draaien om andere sterren dan de Zon. Het bestaan van deze planeten is voornamelijk afgeleid van indirecte waarnemingen en daarop gebaseerde berekeningen.


f


g


h


i

Inclinatie:
Het baanvlak van het hemellichaam wordt dan volledig bepaald als ook de hoek wordt gegeven die dat baanvlak maakt met het eclipticavlak; deze hoek heet de inclinatie (i). Deze hoek kan alle waarden aannemen tussen 0° en 180°. Een inclinatie kleiner dan 90° impliceert een prograde beweging (in dezelfde zin als de aarde , wijzerzin); een inclinatie groter dan 90° impliceert een retrograde beweging (tegenwijzerzin).

Infrarood:
Infrarode straling is voor het menselijke ook niet waarneembare electromagnetische straling met golflengten tussen ongeveer 780 nanometer en 1 mm, dus tussen het zichtbare rode licht en de microgolven.


j


k

knoop:
snijpunt van de baan van een planeet, planetoïde, komeet of Maan met het vlak van de aardbaan. De beweging van zuid naar noord door dit vlak is de klimmende knoop , van noord naar zuid de dalende knoop .

Komeet:
op basis van hun omlooptijd worden kometen ingedeeld in 2 klassen: kortperiodieke kometen met een omlooptijd van minder dan 200 jaar en langperiodieke kometen die een omlooptijd hebben van meer dan 200 jaar. Op fysische gronden is er echter een fijnere onderverdeling. Bij de langperiodieken heeft men kometen met een zo grote baan dat ze waarschijnlijk voor de eerste keer in de buurt van de zon komen (dit zijn nieuwe kometen afkomstig uit de Oortwolk) en deze die al meermaals een periheliumdoorgang hebben gemaakt. De kortperiodieken kan men indelen in de Jupiter-typen (apheliumafstand van +/- 5 ae en een inclinatie < 45°) en de Halley-typen (apheliumafstand meer dan 7 ae en een willekeurige inclinatie ).


l

Lentepunt:
een van de 2 snijpunten van de ecliptica met de hemelequator. Het ligt in het sterrenbeeld Vissen. rechte klimming en ecliptische lengten worden geteld vanaf het lentepunt .

Lichtjaar:
de afstand die het licht in 1 jaar aflegt in het luchtledige: 9.4607 x 1012 km = 63241 ae .


m

Magnitude:
De magnitude van een ster is een getal dat de helderheid van een ster aangeeft.De (schijnbare) helderheid van sterren werd in de oudheid reeds aangegeven met getallen: de helderste sterren kende men de magnitude of grootte 1 toe en de zwakste de magnitude 6. Een klein getal betekent dus een grote helderheid.

Meridiaan:
Aan de hemelbol is de meridiaan de lijn de lijn die de noord- en zuidpool verbind en door het zenit loopt. Op het noordelijk halfrond snijdt de meridiaan de horizon in het zuiden, op het zuidelijk halfrond in het noorden. de culminatie of transit van een object vindt plaats wanneer deze de meridiaan passeert.


n

Nadir:
Het nadir is het punt recht onder de waarnemer. Het is het tegenovergestelde van het zenit .

Neutronenster:
Een neutronenster is hetgeen dat overblijft van een ster na een supernova. Deze heeft een diameter van ongeveer 10 km. Door de enorme druk die vrijkomt bij de implosie versmelten de elektronen met de protonen in de kern om zo neutronen te vormen. de neutronenster bestaat nu enkel uit neutronen. Doordat het vacuüm tussen de atoomkern en de elektronen is verdwenen is de dichtheid enorm. Eén theelepel neutronenster weegt 1 miljard ton.
Een nog zwaardere ster vormt een preonster, een quarkster of een zwarte gat. Lichtere sterren vormen een witte dwerg .


o


p

Parsec:
de afstand van een ster die een parallax van een boogseconde zou vertonen: 30.86 x 1012 km = 3.2616 lichtjaren = 206265 ae .

Perigeum:
Dit is het punt in een baan rond de aarde dat het dichtst bij het zwaartepunt van de aarde ligt. Op deze plaats beweegt een object ( komeet , planetoïde, satelliet) in die baan zich het snelst. Het tegengestelde punt heet apogeum .

Perihelium:
het punt van de baan van een planeet, planetoïde of komeet dat het dichtst bij de zon is gelegen.

Plasmawolk:
Een plasmawolk is een massale uitbarsting van zonnewind, ander licht isotoop plasma en magnetische velden die boven de corona uitkomen of de ruimte worden ingeslingerd.
Plasmawolken die de ruimte in worden geslingerd kunnen de planeten in het zonnestelsel bereiken. Hier worden ze afgebogen door de magnetische velden van de planeet naar de polen. Als de geladen deeltjes de atmosfeer bereiken, licht de atmosfeer op. Dit verschijnsel is bekend als poollicht.


q


r

Rechte klimming:
de hoek tussen de hemelmeridiaan die door het lentepunt gaat en de hemelmeridiaan die door het hemellichaam gaat. Rechte klimmingen worden geteld van 0 tot 24 uur, opklimmend in de richting tegengesteld aan de dagelijkse beweging van de hemelbol.

Reflector:
Dit wordt ook een spiegeltelescoop genoemd. Het objectief bestaat bestaat uit een hol gebogen spiegel in plaats van 1 of meerdere lenzen.

Rode dwerg:
Een rode dwerg is een ster met een massa van 0,08 tot 0,5 zonnen. Ze verbranden heel langzaam helium en kunnen het zo wel 100 miljard jaar volhouden. Omdat het heelal slechts 13,7 miljard jaar oud is, weten astronomen niet hoe rode dwergen zullen eindigen. Vermoedelijk koelen rode dwergen dan af tot zwarte dwergen.

Rode reus:
Een rode reus is een zonachtige ster die het eind van zijn leven heeft bereikt. De ster koelt af en de stralingsdruk neemt af. Daarnaast dijt de ster langzaam uit, waardoor deze een enorme grootte bereikt. Uiteindelijk eindigt de ster in een witte dwerg , gehuld in een planetaire nevel.


s

Singulariteit:
Dit is een punt met een oneindig klein volume en een ondeindig grote dichtheid. De ruimte-tijd is hier zo sterk gekromd dat ruimte en tijd houden op te bestaan.

Spectrograaf:
Dit is een instrument dat licht in verschillende kleuren opsplitst. De resulterende meting van de verdeling van licht over de verschillende golflengtes wordt een spectrum genoemd.

Sterrencluster:
Sterrenhoop:
Een sterrenhoop (cluster) is een verzameling van enkele tot vele duizenden sterren die door de onderlinge zwaartekracht in stand gehouden wordt. Sterrenhopen kunnen daardoor als een nevel aan het firmament staan. Er zijn opn, gesloten en bolvormige sterrenhopen.


t

Transitmethode:
Deze techniek wordt gebruikt om de aanwezigheid van een planeet bij een ster vast te stellen.
Deze techniek is gebaseerd op het feit dat de planeet een deel van de ster afdekt als hij in zijn omloopbaan tussen ons en de ster komt te staan. Op deze manier verandert de lichtintensiteit van de ster op een specifieke manier en kan men ook een berekening maken van de omloopsnelheid van de planeet.


u


v


w

Witte dwerg:
Als een zonachtige ster het eind van zijn leven bereikt, zwelt deze op tot een rode reus . De buitenste gaslagen dijen uit (planetaire nevel), terwijl de kern in elkaar stort tot een witte dwerg . De meeste witte dwergen zijn heel compact. Ze bevatten gemiddeld even veel massa als de zon, maar zijn even groot als de aarde . Witte dwergen koelen na miljarden jaren langzaam af, totdat ze uiteindelijk geen licht meer geven en eindigen als zwarte dwergen.


x


y


z

Zenit:
Dit is het hoogste punt van de sterrenhemel gezien vanuit het punt van de waarnemer. Het is dus het punt recht boven de waarnemer. Precies tegenover het zenit ligt het nadir .

Zonnevlam:
Een zonnevlam is een explosie op het oppervlak van de zon, die ontstaat door het plotseling vrijkomen van de energie die wordt vastgehouden in de magnetische velden.

Zonnevlammen worden ingedeeld in drie klassen:
  • X-klasse zonnevlammen. Dit zijn uitbarstingen die op de aarde voor het uitvallen van radioverbindingen en van elektriciteitscentrales kunnen zorgen.
  • M-klasse zonnevlammen. Dit zijn matige uitbarstingen, die rond de polen korte perioden van uitval van de radioverbindingen kunnen veroorzaken.
  • C-klasse zonnevlammen. Kleine uitbarstingen die nauwelijks invloed hebben op de aarde .

Zwart gat:
Een object met een zo grote massa dat er niets, zelfs het licht niet, kan uuit ontsnappen. Ze ontstaan als sterren met minstens 5 zonnemassa's imploderen. Hun zwaartekracht wordt dan zo groot dat ze ineenstorten tot een singulariteit .

Zwarte dwerg:
Wanneer een rode dwerg sterft, koelt deze af tot een zwarte dwerg . Ook witte dwergen koelen langzaam af tot zwarte dwergen. Dit proces kan miljarden jaren duren. Een zwarte dwerg is nog nooit ontdekt. Dit heeft twee oorzaken: 1. het heelal is nog niet oud genoeg om zwarte dwergen te huisvesten en 2. zwarte dwergen zijn moeilijk waarneembaar.